toggle menu

Zo werkt het nieuwe bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Sinds 2017 is het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker veranderd. Vrouwen tussen de 30 en 60 jaar krijgen elke vijf jaar een uitnodiging voor dit onderzoek. Voorheen werd er dan een uitstrijkje gemaakt, waarbij er gekeken werd naar onrustige of afwijkende cellen, die konden wijzen op baarmoederhalskanker. Sinds kort gaat dat anders. Er wordt in eerste instantie alleen gekeken naar aanwezigheid van het HPV-virus. Pas als dat virus wordt aangetroffen, wordt er ook gekeken naar afwijkende cellen.

Niet bekend

Eva wist dit niet. Ze had meegedaan aan het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker, en kreeg te horen dat alles goed was. Toen zij later toch gynaecologische klachten kreeg, ging ze naar de huisarts die haar voorstelde om een uitstrijkje te maken om te kijken of er onrustige cellen waren. 'Maar dat is toch pas gebeurd?' vroeg Eva. Dat was dus niet het geval, want bij het bevolkingsonderzoek wordt er in eerste instantie alleen naar HPV gekeken.

Is dat erg?

Nee, zegt gynaecologisch oncoloog Nienke van Trommel, van het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis. Het is juist heel goed dat er naar het HPV-virus wordt gekeken. Het HPV-virus is het humaan papillomavirus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken. Bijna alle gevallen van baarmoederhalskanker ontstaan door dit virus. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen ontstaat er baarmoederhalskanker zónder dat er sprake is van een HPV-besmetting.

100 extra patiënten

Trommel legt uit dat de nieuwe vorm van testen naar HPV, meer vrouwen met baarmoederhalskanker oppikt dan de oude test. Door die nieuwe opzet worden er jaarlijks meer dan 100 extra patiënten met baarmoederhalskanker opgespoord en overlijden er gemiddeld 35 vrouwen minder aan de ziekte. Dus als je test op de aanwezigheid van HPV bij vrouwen, kun je meer voorstadia van baarmoederhalskanker opsporen dan met het 'oude' uitstrijkje waarbij alleen werd gekeken naar afwijkende cellen.

Ook interessant